Niemandsland door Kirsten Thorup

 

De oude man die niet meer verder wil, weg wil uit het verzorgingstehuis, wat niet lukt en daarom besluit uit het leven te stappen en naar zijn overleden vrouw te gaan.

De dochter die niet wil accepteren dat haar vader dement is en denkt dat hij met een goede verzorging nog een aantal jaren gelukkig kan leven.

De zoon en zijn gezin die de vader niet meer kunnen verzorgen en de verzorging aan het tehuis overlaten.

Het tehuis dat zijn best doet maar niet meer kan dan wat ze doet: oppassen dat de patiënt niet wegloopt en zichzelf en anderen geen schade berokkent.

Een verhaal over oud en hulpbehoevend worden en hoe daarmee om te gaan.

 

Carl Sørensen is door zijn zoon en schoondochter in een verzorgingstehuis geplaatst, gedurende de weken dat ze met vakantie zijn. Hij woont nog in zijn eigen huis, verzorgd door zoon en schoondochter. Zijn vrouw is zeven maanden geleden overleden en hij is in die zeven maanden hard achteruit gegaan, beginnen te dementeren en krijgt last van afasie.

Nu zit hij zeer tegen zijn zin in het verzorgingstehuis. Hij wil weg, naar huis. Hij wil naar het graf van zijn vrouw, er moeten bloemen gelegd worden, maar het tehuis laat hem niet naar buiten, bang dat hij weg zal lopen en in verwarde toestand rond gaat zwerven.

Hij is kwaad op het personeel, op het tehuis. Hij scheldt en vloekt wat hij anders nooit doet en zijn beide kinderen altijd heeft verboden. Zijn gedachten zijn nog helder, maar door zijn afasie kan hij zich niet meer uitdrukken en zegt hij de verkeerde woorden.

Het beeld van de klokkenluider van de Notre Dame komt in hem op, hij vergelijkt zich met hem, voelt dat de klokkenluider in hem is gaan wonen.

 

Herinneringen aan zijn diensttijd tijdens de 1e wereldoorlog komen omhoog, hoe ze oefenden in het graven van schuttersputjes en loopgraven, en een veldslag naspeelden.

Hij herinnert zich zijn jeugd. Zijn moeder overleed toen hij kind was. Zijn vader, dorpsleraar, hertrouwde en de kinderen werden door de stiefmoeder ingezet om alle huishoudelijke karweitjes op te knappen en later om op hun stiefbroer en –zus te passen.

 

Hij weigert om te gaan met de andere bewoners van het tehuis, ligt gekleed in bed.

Hij heeft een dochter en een zoon, de dochter (de vijftig net gepasseerd) is acht jaar ouder dan de zoon. Zijn zoon heeft zijn winkel in landbouwartikelen overgenomen, is getrouwd, heeft twee kinderen. Zijn dochter werkt free-lance in de reclame en heeft een zoon van begin twintig, die zich heeft aangesloten bij Scientology en nu niets meer met zijn moeder te maken wil hebben, haar het gebrek aan gezinsleven verwijt, haar altijd afwezig zijn, gebrek aan warmte en aandacht in een eenouder gezin.

 

De dochter die jarenlang nauwelijks contact heeft gehad met haar familie, is het oneens met haar broer over de opname van hun vader in het verpleegtehuis. Zij is van mening dat vader zich in zijn eigen omgeving en met hulp en ondersteuning beter kan redden dan op deze vreemde plek. Ze is bereid die verzorging op zich te nemen. Ze praten erover in een telefoongesprek en worden het niet eens.

Ze besluit haar vader te bezoeken. Het hoofd van de verpleging legt haar uit in welke conditie haar vader zich bevindt. Als ze hem ziet, schrikt ze in eerste instantie. Ze probeert contact te leggen, maar hij herkent haar niet.

Ze besluit kerst samen met haar vader te vieren. Als ze alleen met hem is – broer en zijn gezin zijn alweer vertrokken; ze doen hun best voor vader, maar wat kunnen ze meer doen – vertelt haar vader in gebroken zinnen dat haar moeder niet haar moeder is, maar dat de jongere zus van haar moeder haar moeder is. De tante waarmee ze altijd zo goed kon opschieten en die maar zestien jaar ouder was dan zij, blijkt haar moeder te zijn, ze wil het niet geloven. Ze herinnert zich dat tante elke vakantie op bezoek kwam en dat ze altijd met haar erop uit trok. Tante was kleuterjuf geworden, maar was plotseling getrouwd en daarna had ze haar niet weer gezien.

De oude Sørensen denkt terug aan zijn schoonzusje. Er is nooit tegen iemand ook maar iets verteld, alleen hij, zijn vrouw en zijn schoonzusje waren op de hoogte. Zo was het afgesproken.

 

De klokkenluider toont zich in de spiegel van de badkamer, hij is agressief, dreigend, wil vechten. Carl Sørensen dreigt terug, maar besluit later om tot een vergelijk te komen.

 

Carl Sørensen heeft altijd van zijn vrijheid gehouden. ’s Middags liet hij de winkel over aan zijn vrouw en trok erop uit, de natuur in. Nu zit hij vast in het verzorgingstehuis. Carl besluit op te houden met eten en drinken. Hij wil weg, naar zijn vrouw. Na zeven dagen komt er een arts. Er wordt besloten hem in het verzorgingstehuis te laten en niet over te brengen naar het ziekenhuis. Men gunt hem een humane dood. Hij is 94.

In zijn gedachten ziet hij zijn vrouw die op hem wacht, hij ziet zijn schoonzusje. 

 

Vanuit verschillende vertelposities beschrijft Kirsten Thorup het verhaal van een oude, dementerende man die voor zijn eigen bestwil en omdat de kinderen hem niet meer kunnen verzorgen, in een verzorgingstehuis wordt geplaatst.

Ze creëert verschillende invalshoeken voor het verhaal, vanuit de oude man, vanuit de dochter, vanuit de zoon en ook vanuit de verteller. En we leren de geschiedenis kennen vanuit verschillende personen en vanuit hun reactie en herinnering.

Waarbij de verschillende vertelposities en de vorm van de vertelling (lyrisch vertellend, beschrijvend, in dialoogvorm) elkaar afwisselen.

 

Ingenmandsland, in 2003 uitgegeven door Gyldendal, werd door Kor de Vries uit het Deens in het Nederlands vertaald en in 2007 uitgegeven door Cossee onder de titel Niemandsland.

Kirsten Thorup ontving in 2004 voor Ingenmandsland de literatuurprijs van de Deense BG-Bank.

 

 

© Jan Baptist, 2008

 

Terug