Deense middeleeuwse balladen

 

Drømte mig en drøm i nat   Droomde me een droom vannacht

 om silke og ærlig pel           van zijde en mooie kleren

 

 

 Dit is het bekendste brokstukje van een middeleeuwse Deense ballade  waarvan zowel tekst als notenschrift is bewaard. Tenminste, het zou een versregel uit een ballade kunnen zijn, want zeker is dat niet. De regel stamt uit ongeveer 1300 en is gevonden in een runenhandschrift van de wetgeving van Schonen (Zuid Zweden, toen Deens gebied). Zie hiernaast, het notenschrift staat op de een na laatste regel.

 

  Het oudste geschreven deel van een tekst van een Deense ballade stamt uit  1450. Dat we toch teksten kennen komt omdat er uit de tweede helft van de  zestiende eeuw een drietal boeken zijn waarin balladen zijn opgeschreven.      

Daarbij moet bedacht worden dat de tijd dat deze balladen werden gezongen lag tussen 1150 en 1450 en zijn bloeitijd kende tussen 1200 en 1350.

Het woord ballade komt van het Italiaanse ballata, wat dansje betekent. Het was een kort, lyrisch dansliedje. Vanuit Frankrijk heeft het zich verspreid over West- en Noord-Europa. Er was veel contact tussen Denemarken en Frankrijk in de tweede helft van de twaalfde eeuw en met dat contact is de ballade naar Denemarken gekomen, waar men spreekt van folkevise, volksliedje.

Ze werden, zoals de naam al zegt, gezongen, maar de muziek die bij de teksten hoorde is niet bewaard gebleven. Op de muziek werd gedanst, een reidans. Er was een voorzanger en de dansers zongen in het koor. Om de beurt zong men een couplet en het refrein.

Op muurschilderingen in een aantal Deense kerken zijn afbeeldingen van reidansen te zien.

De ballade maakte in Denemarken een eigen ontwikkeling door. Waren de Franse balladen veelal lyrisch, dichterlijk van aard, de Deense waren episch, vertellend. Het verloop van de handeling, vaak met korte replieken, wordt beschreven en leidt tot een dramatische situatie. Het refrein is lyrisch, evenals het preludium (de inleiding tot het lied), dat gezongen werd door de voorzanger.  Het belangrijkste onderwerp was liefde en erotiek.

Balladen werden geschreven in adellijke kring, door een dichter die een eigen lied schreef en daarbij vrijelijk putte uit andere liederen. Copyright en intellectueel eigendom bestonden nog niet. De balladen verspreidden zich via mondelinge overlevering onder het volk, werden gezongen, overgenomen, van buiten geleerd, aangepast naar eigen opvattingen en inzichten, evolueerden mee met de culturele veranderingen. Pas in de tweede helft van de zestiende eeuw werden de liedteksten voor het eerst opgeschreven, maar toen werden ze al niet meer gebruikt om op te dansen. De drie boeken zijn:

-         Hjærtebogen (hartenboek) van Albert Muus, circa 1550; zo genoemd omdat als het opengeslagen wordt het boek de vorm van een hart heeft (handschrift)

-         Karen Brahes folio (handschrift)

-         Hundredevisebog (boek met honderd liedjes) uit 1591 van Anders Sørensen Vedel; de eerste gedrukte verzameling in Noord-Europa

In de negentiende eeuw is er in Denemarken veel onderzoek gedaan naar de Folkeviser en zijn er teksten verzameld. In diverse hoeken van het land bleken er nog mensen te zijn die een aantal balladen uit hun hoofd kenden. Een van de grote namen in dit onderzoek is Svend Grundvig die veel heeft verzameld en gepubliceerd. 

Er zijn twee hoofdvormen van de ballade: een 2-regelig couplet en een 4-regelig couplet, waarbij eindrijm wordt toegepast, soms halfrijm. Elk couplet wordt gevolgd door het refrein. Bij de 4-regelige vorm kennen de eerste en de derde regel vier beklemtoningen en de tweede en vierde regel drie. Er is geen vaste regel voor de afwisseling van beklemtoonde en niet beklemtoonde lettergrepen. Aangenomen wordt dat de 4-regelige versie zich heeft ontwikkeld vanuit de 2-regelige, welke laatste dus ouder zouden moeten zijn.

Op basis van literaire criteria is door Ernst Frandsen in 1935 een indeling gemaakt, waaruit de ouderdom van de ballade kan worden afgeleid. Hij heeft de volgende vier groepen benoemd:

1)      primitief in gedachten en voorstelling; angst voor en aantrekking tot verborgen krachten die het leven beïnvloeden met als kern de catatrofale gebeurtenis. Tijd omstreeks 1200.

2)      Een meer beschrijvende vorm, een actievere houding van de dichter; psychologisch inzicht en interesse. Nog steeds gegrepen door mystiek en gevaar, maar op grotere afstand. De beschrijving is gedetailleerder en genuanceerder.

3)      Hoofse invloed, artistiek stempel, lyrische inslag, een meer christelijke voorstellingswereld. Tijd omstreeks 1300. De bloeitijd van de ridderballade.

4)      Grotere elegantie, vrijere omgang met erotische motieven en zonder dreigende spanningen tussen leven en dood. Veertiende eeuw

 

Svend Grundvig maakte in de tweede helft van de 19e eeuw de volgende indeling in:

1)      betoveringsballaden
In de betoveringsballade staat de mens tegenover bovennatuurlijke krachten, vaak gepersonifiëerd door elfen, trollen en dwergen en tegenover het onafwendbare lot. Waarschijnlijk vormt deze groep de oudste balladen, waarin een heidens en gevaarlijk bestaan tot uidrukking komt in een enkele, dramatische situatie.Een voorbeeld hiervan is het lied over Germand Vreugdevol. Een ander voorbeeld, maar dan tweeregelig is het lied Elfenschot.

2)      ridderballaden
Hier is het centrale motief de liefde die interne en externe spanningen met zich meebrengt. Een aantal heeft een vrouw als hoofdpersoon. Soms komt de liefde in strijd met het familiegevoel en leidt tot een familieconflict met tragische afloop zoals in het lied over Ebbe Skammelzoon.

3)      historische balladen
Deze balladen hebben een historische figuur als hoofdpersoon. De historische juistheid van de ballade is niet zeker, wel de persoon die de hoofdrol vervult. Veelal zijn ze geschreven ver nadat de hoofdpersoon in het lied is overleden. Deze balladen zijn verwant met de ridderballaden.

4)      heldenballaden
Dit zijn mytisch-heroïsche liederen die in de veertiende eeuw in Noorwegen zijn ontstaan en na 1400 in Denemarken verschenen. Ze zijn wat onderwerp betreft verwant met de oude West-Noordse poëzie.

5)      romantische balladen
Balladen uit de latere periode die op een romantische wijze de liefde centraal stellen.

6)      spotballaden (spotverzen)
Eveneens uit de latere periode en met een volkse herkomst. Geliefde onderwerpen zijn liefdeszieke monniken en manzieke vrouwen met wie de spot wordt gedreven. Veel van deze balladen zijn ontstaan in een handelstadsmilieu.

 

Geraadpleegde literatuur:

-         Dansk litteratur historie, bind 1, Politikens Forlag, 1971

-         Danske folkeviser, Et hundrede udvalgte danske viser, Jørgen Lorenzen, 1974

-         Krøniker og sagn fra middelalderens folkebøger og folkeviser, Ernst Frandsen, 1928-1930

 

 

Jan Baptist, oktober 2005

 

Terug